L'Entretien des Dieux

In 1672 stierf Jacques Champion de Chambonnières, de grondlegger van de Franse clavecinistenschool. Hij was beroemd om zijn verfijnde toucher en zijn composities werden geroemd om hun natuurlijke gratie. Reden genoeg voor zijn leerling d' Anglebert om hem te eren door middel van een Tombeau, een grafdicht. Nu onderscheiden vele van die tombeau's zich door het gebruik van vreemde intervallen om het verdriet aanschouwelijk te maken. Of de componist imiteert het geluid van kerkklokken die tijdens een begrafenisplechtigheid worden geluid. De vorm die men kiest is veelal de Pavane of de Allemande, beiden serieuze dansen in een even maatsoort. Deze karakteristieken zijn te horen in de voorbeelden van Louis Couperin, Ennemond Gaultier, J.N.Geoffroy en Johann Jakob Froberger. Er zijn aanwijzingen dat de Pavanne van Chambonnières die Johan Hofmann in dit programma speelt een tombeau voor de luitist Denis Gaultier is! d' Anglebert zingt in de stralende toonsoort D-groot in één van zijn meest geliefde dansvormen, de van oorsprong allesbehalve rustige Gaillarde, waarbij hij weliswaar opmerkt dat men het stuk "fort lentement" dient te spelen. En zo heeft de compositie meer weg van een eerbetoon.


Een dergelijk eerbetoon is ook te horen in zijn bewerking van luitcomposities van Ennemond Gaultier. Van deze werken maakt hij geen letterlijke transcriptie, maar hij probeert de klankwereld van de luit te vertalen naar typische clavecimbeltechnieken.

Je zou het kunnen vergelijken met hoe de jonge Pieter Paul Rubens, op grand tour in Italië, de meesterwerken van Italiaanse beeldhouwers en schilders natekent. Alhoewel herkenbaar als een Michelangelo of Rafaël is de hand van de Vlaamse meester onmiskenbaar.

De ordre van Louis Nicolas Clérambault is duidelijk geënt op de vroegere Franse stijl, maar er zijn ook Italiaanse invloeden, zoals bijvoorbeeld in de gigue. Al deze werken effenen de weg voor de beroemde pièces de clavecin van Francois Couperin.
Als op veertien juli 1789 de Franse revolutie uitbreekt zit de clavecimbelmuziek al decennia op een doodlopende weg. De daaropvolgende dag sterft Jean-Jacques Duphly, en enige maanden daarvoor komt Armand Louis Couperin om het leven bij een verkeersongeluk. Claude Balbastre probeert zich aan de veranderende omstandigheden aan te passen door ondermeer de Marseillaise voor fortepiano te arrangeren. Zowiezo is het opkomende virtuozendom goed te volgen in de pianistische capriolen in sommige Rondeau's van Duphly en vooral ook Royer.
Aan het einde van de achttiende eeuw zijn vele clavecimbels geconfisceerd door het nieuwe republikeinse regering in Frankrijk. Of worden terzijde geschoven als de burgerij een fortepiano aanschaft. Enige tijd later komen talloze instrumenten roemloos aan hun einde als ze als brandstof dienen voor het verwarmen van klaslokalen van het pas opgerichte Conservatoire...

Maar voor het zover is klinkt de Franse clavecimbelmuziek voor een laatste maal: perfect op het instrument geschreven, groots, voloptueus en de Franse glorie waardig.