Transpositieclavecimbel 2

STICHTING

Het transpositieclavecimbel werd door generaties van toonaangevende componisten in het voormalige Hanze-gebied bespeeld. En was in gebruik was aan diverse Europese hoven. Omdat de specifieke klankkleur en speelwijze tot in onze tijd sterk onderbelicht is gebleven, beijvert de stichting de bouw en exploitatie van dit eens zo belangrijke instrument. Dit opdat de verschillende theorieën aangaande het gebruik van zo'n transponerend instrument eindelijk kunnen worden getoetst. Maar meer nog om een soort geluid dat in de zeventiende eeuw heel courant was, maar helaas tot in onze tijd vrijwel onbekend is gebleven, weer te laten klinken.

Voorts maakt de stichting zich sterk om het instrument voor educatieve doeleinden te gebruiken. Dit zal ondermeer geschieden door het ter beschikking te stellen aan muziekstudenten van conservatoria in binnen- en buitenland. Het clavecimbel zal uiteraard verder worden gebruikt voor concerten, lecture-recitals en cd-opnamen.

 

DE HANZE

 

Het stedenverbond de ‘Hanze’ werd opgericht in 1356. Een groot aantal steden – voornamelijk gelegen in de Nederlanden, Duitsland, Polen, Rusland en Scandinavië – sloot zich bij dit handelsverbond aan. In onze tijd getuigt architectuur in de oude binnensteden van bijvoorbeeld Kampen, Zwolle, Deventer, Zutphen en Groningen van de toenmalige drukke handelsactiviteiten. De voornaamste doelstellingen bestonden uit het bevorderen van de vrije handel rondom het Oostzeegebied en het verminderen van handelsbelemmeringen. De economische invloed was groot en duurde ongeveer tot 1700. Naast de im- en export van handelswaar was er tevens sprake van een levendige culturele uitwisseling: Jan Pieterszoon Sweelinck - geboren in 1562 te Deventer en later musicus te Amsterdam – werd wel eens ‘Organistenmaker’ genoemd, omdat hij eigenlijk alle belangrijke organisten/componisten uit de noord-Duitse regio had opgeleid:

 

Jacob Praetorius (de leraar van Matthias Weckmann)

 

Paul Siefert

 

Heinrich Scheidemann

 

Samuel Scheidt

 

Melchior Schildt

 

 

Zo loopt er bijvoorbeeld een directe lijn via Sweelinck's leerling Scheidemann via diens leerlingen Jan Adam Reincken en Dietrich Buxtehude naar de jonge Johann Sebastian Bach.

 

Naast de kerkmuziek, waarbij het orgel het favoriete toetsinstrument was, bestond er levendige burgerlijke muziekcultuur. De organisten hadden hierin een hoofdrol te vervullen. Zij hadden door hun drukke kerk-muzikale praktijk veel ervaring in het componeren voor en het bespelen van toetsinstrumenten. Bovendien waren ze in staat ensembles te leiden. Welvarende kooplieden schakelden de musici in bij allerlei activiteiten en zagen hierin mogelijkheden om hun aanzien in de stad te vergroten. Denk bijvoorbeeld aan feestelijke diners (Tafelmusik) en uitgebreide muzikale omlijstingen van trouwerijen (Hochzeitsmusik). Jubilea en officiële ontvangsten van hoogwaardigheidsbekleders boden eveneens prachtige kansen om muzikaal eens flink uit te pakken. Buxtehude organiseerde zelfs een concertserie in zijn woonplaats Lübeck, de zogenaamde ‘Abendmusiken.’ 

 

SWEELINCK

 

Jan Pietersz. Sweelinck (1562-1621), de 'Orpheus van Amsterdam', werd geboren in de Hanzestad Deventer. Hij geldt algemeen als onze grootste Nederlandse componist.

Alhoewel zijn rol in de muziekgeschiedenis de afgelopen honderd jaar nooit is betwist, duurde het tot in dit decennium (!) voor er een volledige opname van zijn vocale werken verscheen. Naast zijn orgelcomposities genieten zijn clavecimbelwerken weliswaar een zekere bekendheid, maar worden bij gebrek aan het juiste instrumentarium meestal uitgevoerd op clavecimbels die Sweelinck nooit gekend heeft.

Sweelinck's enig gedocumenteerde buitenlandreis voerde hem naar de Hanzestad Antwerpen alwaar hij in opdracht van het stadsbestuur van mede-Hanzestad Amsterdam een transpositieclavecimbel kocht. Het instrument zelf heeft helaas de eeuwen niet getrotseerd, maar enige jaren geleden werd het deksel teruggevonden. Het bevindt zich momenteel in het Rijksmuseum. Een afbeelding van het deksel van het stadsclavecimbel van Amsterdam bevindt zich rechtsbovenaan deze pagina.

 

Dat Sweelinck apart voor de aanschaf van een clavecimbel naar Antwerpen toog is des te opmerkelijker omdat zich in de onmiddellijke nabijheid  van de Oude kerk waar hij organist was een clavecimbelbouwer bevond, namelijk Artus Gheerdinck! Bovendien waren de protestantse Noordelijke Nederlanden in een bittere onafhankelijkheidsstrijd met Spanje verwikkeld. Dat Sweelinck, die van het calvinistische kerkbestuur niet eens tijdens de eredienst op het orgel mocht spelen, dan toch in het katholieke Zuid-Nederlandse Antwerpen een clavecimbel moest kopen, geeft wel aan dat men met minder dan het beste geen genoegen nam.

 

Van Sweelincks reputatie getuigde in de 18e eeuw het biografische muziekwoordenboek Grundlage einer Ehren-pforte (1740) van Johann Mattheson:

 

Toen hij (d.i. Jacob Praetorius II) vernam dat in Amsterdam een voortreffelijke organist was, verlangde hij om daar naartoe te reizen en door hem te worden onderwezen. … Het was de beroemde Jan Pieterszoon Sweelinck bij wie hij in de leer ging en die hem onder andere een geheel eigen manier van vingerzettingen leerde die toen heel ongebruikelijk was maar zeer goed. Jakob Praetorius nam Sweelincks gebruiken en houding over die bijzonder aangenaam en achtenswaardig waren. Zo speelde hij zonder het lichaam veel te bewegen waardoor het leek alsof het moeiteloos gebeurde. Zijn natuurlijke wezen - ernstig, ordentelijk en bescheiden - was hem daarbij zeer behulpzaam. Het was niet alleen een lust om hem te horen, maar ook om hem te zien wanneer hij aan het orgel zat.

 

DE MERKNAAM RUCKERS

 

Ruckers clavecimbels werden aan het eind van de zeventiende en gedurende de achttiende eeuw vaak aangepast aan de smaak van de tijd.

De vele prachtige instrumenten die we nu nog in musea kunnen bewonderen getuigen hiervan. Het merk 'Ruckers' was zo sterk dat men het niet kon laten om in bijvoorbeeld inventarissen of annonces in kranten die naam te noemen. Het verzekerde de verkoper van maximale aandacht van eventuele kopers. Bovendien bracht een instrument dat pochen kon op de naam Ruckers veel meer geld op dan die van andere, minder beroemde, bouwers.